WBV Draw

Grondonderzoek

    Project

    Wat doet dupliceren?

    Dupliceren maakt een kopie van het project dat nu op het scherm staat en slaat die onder een nieuwe naam op; je werkt daarna verder in de kopie, het origineel blijft ongewijzigd. Handig voor varianten van dezelfde tekening.

    Wil je een kopie maken van een ánder project, dan hoef je het niet te openen: klik op Openen… en gebruik de knop ⧉ achter dat project.

    Uitwisselen

    Waar dient dit voor?

    Het JSON-bestand bevat het hele project (data, legenda, tekeningen). Handig om een project naar een collega of een andere server te sturen.

    Onderlagen

    Wat betekenen de bolletjes?

    Voor elke laag in de stapel staat een bolletje dat vertelt hoe het laden gaat:

    groen — de laag werkt en er staat iets op het scherm.
    geel — de dienst antwoordt netjes, maar hier ligt niets van deze laag (bijvoorbeeld een peilgebied buiten het beheergebied). Geen storing.
    blauw — je bent te ver uitgezoomd; deze dienst tekent pas van dichterbij. Zoom in.
    rood — de tegels laden niet: de dienst is onbereikbaar of weigert. Dán is er echt iets stuk.

    Alle lagen testen… vraagt élke laag uit de lijst één kaartbeeld op, precies op de plek waar je nu kijkt, en zet de uitslag op een rij. Zo zie je in één keer welke lagen hier iets te bieden hebben; met + zet je er meteen een aan.

    Welke onderlaag wanneer?

    Luchtfoto — actuele situatie, standaard.
    Luchtfoto infrarood (CIR) — vegetatie kleurt rood; verschillen in vocht en begroeiing verraden vaak dempingen, oude sloten en ophogingen.
    BRT grijs — rustige grijstinten, zodat je eigen symbolen alle kleur voor zich hebben. Meestal de beste keuze voor een tekening die geprint wordt.
    BGT — panden en verharding op decimeterniveau, vanaf zoom 17.
    AHN maaiveldhoogte — het reliëf van het maaiveld zelf; ophogingen en gedempte sloten tekenen zich hierin vaak scherp af.
    BRO Bodemkaart — landelijke bodemtypen, overzichtsschaal 1:50.000.

    Combineren. Je kunt er meerdere tegelijk aanzetten en met de schuif de doorzichtigheid regelen. De bovenste rij ligt bovenop; met ▲▼ verschuif je een laag in de stapel. Beproefde combinaties: AHN op ±50% over de luchtfoto (reliëf én actuele situatie in één beeld), BGT op ±60% over de luchtfoto (exacte pandcontouren), of luchtfoto op ±30% over BRT grijs (rustige kaart met een vleugje werkelijkheid).

    Google vraagt een eigen API-sleutel met facturatie; Google-tegels mogen alleen via hun eigen API worden getoond. Voor een Nederlandse tekening is de PDOK-luchtfoto meestal actueler én vrij te gebruiken. Wil je alleen even kijken hoe het er ter plekke uitziet: rechtsklik op de kaart → Street View.

    Collecties

    Wat zit er in een collectie?

    Een collectie bewaart de hele stand van de onderlagen: welke lagen aanstaan, in welke volgorde ze liggen, de doorzichtigheid per laag en of de kadastrale perceelindeling aanstaat. Zet de kaart één keer goed en bewaar hem onder een naam — bijvoorbeeld Veldwerk, Print of Reliëf.

    Klik op de naam om de collectie aan te zetten; dat vervangt de huidige stapel. Met + leg je de lagen er juist bovenop. ⟳ stelt de collectie gelijk aan wat er nu op de kaart ligt, ✎ hernoemt en ✕ gooit hem weg (de kaartlagen zelf blijven bestaan). Staat een collectie precies aan, dan licht hij op.

    Collecties horen bij jouw browser, niet bij één project: je kunt ze overal aanzetten. Ze gaan wél mee in een opgeslagen project of JSON-export, zodat een collega ze erbij krijgt — bij het openen worden alleen collecties toegevoegd die je nog niet had.

    Laag-indicator

    Wat staat daar?

    Voor élke onderlaag die aanstaat één regel, bovenste laag bovenaan, met hetzelfde bolletje als hierboven in de stapel en er achter wat er nú aan de hand is:

    laadt… 12/25 — zoveel tegels zijn binnen van zoveel aangevraagd.
    volledig geladen — alles binnen én er staat iets op het scherm.
    geladen · niets op deze plek — de dienst doet het, maar hier ligt niets van deze laag. Geen storing: verschuif of zoom uit en kijk of hij verderop wel tekent.
    zoom in tot 13 — de kaartdienst weigert op dit niveau te tekenen.
    storing — de tegels laden echt niet.

    Klik op een regel voor de volledige uitleg van die laag. De indicator komt niet in de PDF terecht.

    Coördinaten

    Wat lees ik daar af?

    Rechtsonder in de kaart staat doorlopend de plek waar je muis is: RD (Rijksdriehoek, X en Y in meters) en WGS (lengte/breedte in graden). Met 📋 zet je de regel op het klembord — RD als X, Y met een punt als decimaalteken, dus meteen bruikbaar in CAD of GIS.

    Wijs je een punt aan (een boring, meetpunt of getekend punt), dan springt de uitlezing naar de coördinaat van dát punt en verschijnt de naam eronder. Zo lees je de boring af en niet de plek waar je muis toevallig hangt.

    De omrekening naar RD gaat met proj4 en wijkt enkele centimeters af van RDNAPTRANS™2018, de officiële transformatie. Voor uitzetten in het veld en voor een tekening is dat ruim voldoende; noem het in een rapport geen RDNAPTRANS-coördinaat.

    De uitlezing zit bewust buiten het kaartbeeld: hij komt niet mee in de PDF of in het georefereerde kaartbeeld voor CAD.

    Kadaster

    Perceel overnemen

    Staat de perceelindeling aan, klik dan op een perceel voor de kadastrale aanduiding en de oppervlakte. In de popup kun je het perceel overnemen als tekenvlak.

    Eigen meetdata (SW Maps)

    Welk bestand kan ik gebruiken?

    GeoJSON = punten + lijnen + vlakken (aanbevolen). Excel/CSV = alleen punten; RD/UTM wordt omgerekend. GPX = route + waypoints; de route wordt op hoogte gekleurd (klik erop voor het hoogteprofiel).

    CAD-tekening (DWG / DXF / DGN)

    Legt een bestaande tekening — bouwtekening, situatietekening, rioleringsplan — als lagen over de kaart. Maximaal 7,5 MB per bestand.

    Welke bestanden kunnen erin?

    DWG (AutoCAD, alle versies), DXF en DGN v7 (MicroStation). Een DGN v8 (MicroStation V8 of CONNECT) kan niet: sla die in MicroStation eerst op als DXF of DWG.

    Elke laag uit de tekening wordt een eigen laag in het tabblad Lagen, met de kleur uit de tekening: apart aan en uit te zetten, te hernoemen en mee in de PDF. Vóór het inlezen zie je wat erin zit en waar het ligt, en kies je zelf welke lagen je overneemt.

    Ligt de tekening niet op de goede plek? Dan klopt het coördinaatstelsel niet. De meeste Nederlandse tekeningen staan in RD New; een tekening met coördinaten rond nul heeft een eigen assenstelsel van de tekenaar en is niet automatisch te plaatsen.

    Bodemonderzoek (SIKB)

    Leest een SIKB0101-uitwisselbestand: meetpunten met boorprofiel per laag en de toetsing per monster.

    Wat gebeurt er met het bestand?

    Elk meetpunt wordt een punt op de kaart, met zijn bodemlagen en monsters eraan vast. Met de diepteschuif (verschijnt linksonder op de kaart) kies je een diepte; elk punt toont dan het symbool van de grondsoort op díe diepte, met een ring in de kleur van de kwaliteitsklasse. Klik op een punt voor het volledige boorprofiel.

    Eigen meetpunten

    Zet zelf een boor- of monsterpunt op de kaart en voer er analysegegevens bij in. Klik daarna op het punt om de uitslagen te bekijken of aan te vullen.

    Hoe werkt het?

    Meetpunt plaatsen zet je in klikmodus: elke klik is een punt, Esc stopt. Per punt vul je een naam/boornummer in; de coördinaten staan er bewerkbaar bij (standaard RD), dus een uitgezet punt type je gewoon exact in. Met Op coördinaat… sla je het klikken over.

    Analysegegevens voer je regel voor regel in (parameter, waarde, eenheid) of je plakt ze in één keer uit Excel. Een detectiegrens als <0,05 blijft staan zoals je hem typt. Meerdere monsters per punt kan: elk met een eigen dieptetraject.

    Eigen punten tellen mee als boorpunt bij het koppelen van een labcertificaat, en je kunt ze verslepen als ze net verkeerd staan.

    Labresultaten

    Leest een labcertificaat (<labresultaat> / “ResultSIKB export”) en koppelt de analysemonsters via het boornummer aan boorpunten die al op de kaart staan.

    Waarom een koppelwizard?

    Een labcertificaat bevat geen coördinaten — alleen monsters met een boornummer en een dieptetraject. De wizard vergelijkt dat boornummer met een attribuut van je boorpunten (bv. Remarks of Name), laat je per boring zien of de koppeling klopt en laat je ontbrekende punten met 🎯 op de kaart aanwijzen. De bestanden worden apart bewaard in data/lab/ en blijven via Archief herbruikbaar.

    Bestaand onderzoek (BRO)

    Zoom eerst naar je projectgebied — er wordt gezocht binnen het zichtbare kaartbeeld.

    Externe databron (URL)

    Haalt GeoJSON op van het opgegeven adres en importeert het als een eigen laag. Het adres wordt met het project meegeslagen.

    Lagen

    Hoe werkt zichtbaarheid?

    Wat hier uit staat, staat ook niet op de kaart, niet in de legenda en niet in de PDF.

    Klik op het oogje van een kop om alles eronder in één keer aan of uit te zetten. Staat er maar een deel aan, dan is het oogje flauw — de volgende klik zet dan alles aan.

    Met 🎯 springt de kaart naar die laag of dat object — ook als hij op onzichtbaar staat. Op een groepskop brengt hij alles uit de groep in beeld.

    Eigen groepen maken

    Met 📁 achter een laag zet je hem in een groep — kies een bestaande of + Nieuwe groep…. Een groep mag van alles bevatten: geïmporteerde lagen, legenda-categorieën én tekeningen. Zo zet je bijvoorbeeld “Fase 1” of “Ontgravingen” in één klik aan of uit.

    Een vlak, lijn of pijl kun je ook vanaf de kaart indelen: klik erop en kies onderin de popup een groep (of maak er meteen een nieuwe aan).

    Met ✎ hernoem je een groep, met ✕ hef je hem op — de lagen zelf blijven dan gewoon bestaan en komen weer los te staan. Groepen worden met het project bewaard.

    Legenda

    Symbolen bewerken

    Nog geen symbolen. Importeer data of voeg toe.

    Legenda in de PDF

    Tekenen

    Bepaalt waar de gegevens van een aangeklikt onderdeel verschijnen: als popup op de kaart, of in het tabblad 🔎 Inspect — dan blijft het kaartbeeld staan.

    Bewerken

    Uitleg tekenen

    De kleur geldt voor het volgende object. Klik op een vorm of tekst om de kleur te wijzigen, te arceren of te verwijderen. Projectbegrenzing = gesloten vlak (dubbelklik of klik op het startpunt om te sluiten). In bewerkmodus: sleep een hoekpunt om het te verplaatsen, sleep een tussenmarker om een punt toe te voegen, rechtsklik verwijdert een punt.

    Punten zetten en verplaatsen

    Punt — de knop blijft aan staan, dus je klikt achter elkaar door zoveel punten als je nodig hebt. Esc of nogmaals op de knop stopt ermee.

    Verplaatsen gaat altijd met slepen: pak het symbool en zet het neer. Daar is de bewerkmodus niet voor nodig — die is voor de hoekpunten van lijnen en vlakken.

    Klik op een punt en je kiest een naam, een symbool (dezelfde acht als in de legenda), de grootte en de kleur. De naam komt onder het symbool op de kaart te staan (uit te zetten) en verschijnt met dat symbool in de PDF-legenda. Een punt met een naam kun je ook in de DXF terugvinden, en “Wie gaat hierover?” en “Wat mag hier?” werken er net zo goed op als op een vlak.

    Een punt is iets anders dan een meetpunt (tabblad Data): daar hangen boringen en analysegegevens aan. Dit punt wijst alleen een plek aan op de tekening.

    Pijlen met tekst

    Pijl ➜ — klik waar de pijl begint en dubbelklik waar hij naar wijst; tussenklikken maken een knik. Daarna vraagt de app om de tekst, die naast de staart komt te staan. Pijl en tekst zijn één object: verplaatsen, kleuren, verbergen of verwijderen doe je in één keer.

    De kleur komt uit de kleurkiezer hierboven (per pijl te wijzigen door erop te klikken). In dezelfde popup kies je waar de punt zit: aan het eind, aan het begin, aan beide kanten of geen punt.

    Werkzaamheden en kuub op een vlak

    Klik op een vlak en je kunt er meer op kwijt dan alleen een naam: een werkzaamheid (afgraven, ophogen, saneren… of je eigen omschrijving), een datum en een diepte. Het oppervlak rekent de app zelf uit, dus met de diepte erbij weet hij ook het aantal kuub — bijvoorbeeld 320 m² × 0,40 m = 128 m³. Klopt dat getal niet met het bestek, zet dan “kuub zelf invullen” aan.

    Zet je “toon deze gegevens op de kaart” aan, dan komt er een labeltje midden in het vlak te staan dat ook zo in de PDF verschijnt. Alle vlakken samen kun je als staat onder de kaart zetten via het tabblad Export.

    Hernoemen kan ook zonder de kaart: in het tabblad Lagen staat achter elke regel een ✎.

    Exporteren

    PDF of PNG?

    Hetzelfde blad, twee uitvoeringen: dezelfde kaart, legenda, naamblok, QR-code en staat van werkzaamheden, op dezelfde plek.

    PDF is de tekening om te versturen en af te drukken: de tekst blijft tekst, dus scherp op elk formaat, en het bestand blijft klein. PNG is een plaatje — handig als je de tekening in Word, PowerPoint of een mail wilt plakken zonder gedoe.

    Loopt de staat van werkzaamheden door op een tweede blad, dan krijg je bij PNG twee bestanden (…_blad1.png, …_blad2.png).

    Wil je het kaartbeeld juist zonder legenda en naamblok, maar mét coördinaten voor CAD of GIS? Gebruik dan Kaartbeeld met coördinaten onderaan dit tabblad.

    CAD-export (DXF)

    Maten in meters, op ware grootte in de tekening. 2 m past bij een perceel; bestrijkt het onderzoek kilometers, zet symbool en tekst dan groter (bijv. 10 en 8), anders zijn ze in CAD niet te zien.

    Nog geen kaartbeeld geëxporteerd — zie het paneel hieronder.

    DXF of DWG?

    DWG is een gesloten formaat van Autodesk: dat kan geen enkele webpagina schrijven. DXF is Autodesk's eigen uitwisselformaat en gaat rechtstreeks open in AutoCAD, Civil 3D, BricsCAD, ZWCAD, Revit, QGIS en SketchUp — sleep het bestand erin, of gebruik DXFIN. Moet het per se een .dwg zijn, dan is dat in CAD één keer Opslaan als → dwg.

    De tekening komt op ware grootte in meters binnen, standaard in RD New — hij valt dus meteen goed over de rest van het bestek. Staat het bestek in een lokaal assenstelsel, zet dan nulpunt verschuiven aan: de linkeronderhoek wordt 0,0 en de melding vertelt met hoeveel er is verschoven.

    Wat komt er in het bestand?

    Lagen volgen je legenda. Elke legenda-regel wordt een CAD-laag met dezelfde naam en kleur (WBV_…), kwaliteitsklassen krijgen hun eigen laag (WBV_KLASSE_…), en labels staan op een aparte tekstlaag (…_T) zodat je ze in één klik uit kunt zetten. Getekende vormen komen op TEKENING_VLAK, _LIJN, _PIJL en _TEKST, of op de naam van je eigen lagengroep.

    Boorpunten zijn blokken (WBV_CIRKEL, WBV_DRIEHOEK…), dus je schaalt of vervangt ze allemaal tegelijk. Vlakken komen als gesloten polylijn binnen — arcering gaat niet mee, die zet de CAD-tekenaar er met zijn eigen bestekpatroon in. Ook de onderlaag (luchtfoto, kadaster) gaat niet mee: dat zijn plaatjes van een kaartdienst, geen tekeningdata.

    Kaartbeeld met coördinaten

    Levert een zip met het beeld, het bijbehorende world file (.jgw/.pgw), een .prj en een leesmij met de invoergetallen voor QCAD. Fijner dan de kaartlaag zelf wordt het niet: een PDOK-luchtfoto is 8–25 cm, dus onder 0,1 m/pixel levert alleen een groter bestand op.

    Waarvoor is dit?

    De DXF hierboven bevat je punten, lijnen en vlakken, maar geen luchtfoto — dat is een plaatje van een kaartdienst, geen tekeningdata. Met dit paneel haal je dat plaatje er apart uit, mét coördinaten, zodat je het in QCAD onder de tekening kunt leggen en er overheen kunt tekenen. Standaard komt alleen de kaartlaag in beeld; je data zit immers al in de DXF.

    Het beeld wordt opnieuw geprojecteerd naar het gekozen stelsel en staat dus noord boven met een kloppende maat in beide richtingen. Een gewone schermafdruk van de kaart kan dat niet: die staat in Web Mercator, waar de schaal op onze breedte 1,62× afwijkt en de noordrichting tot ruim 1° gedraaid staat — over een kilometer is dat al 20 m scheef.

    In QCAD onder de tekening leggen

    Open eerst de DXF, dan Tekenen → Bitmap invoegen en kies het beeld. Zet de schaal op de maat per pixel (QCAD rekent bij factor 1,0 één pixel als één eenheid) en hoek 0°; het beeld hangt aan zijn linkeronderhoek, dus typ daar de coördinaat uit de leesmij. Bewaar het beeld naast je tekening — QCAD legt alleen een verwijzing vast.

    Makkelijker gaat het met het vinkje “Kader van het kaartbeeld meetekenen” hierboven: dan zit in de DXF een rechthoek op laag WBV_KAARTBEELD die precies om het beeld valt — je klikt de afbeelding op die hoeken vast in plaats van getallen in te typen. Exporteer dus eerst het kaartbeeld en daarna de DXF.

    QGIS, AutoCAD Map en Civil 3D lezen het world file zelf: houd de drie bestanden bij elkaar in één map en sleep de PNG erin.

    Staat van werkzaamheden

    Wat komt erin?

    Elk zichtbaar vlak waarvan je iets hebt ingevuld (naam, werkzaamheid, diepte of kuub) krijgt een regel: naam, werkzaamheid, datum, oppervlak, diepte en kuub — met een totaalregel eronder. Vul je gegevens in via een klik op het vlak op de kaart.

    De kaart wordt iets lager om plaats te maken voor de staat. Passen niet alle vlakken op de eerste pagina, dan gaat de tabel verder op een volgende pagina.

    QR-route

    Waar komt de informatie?

    Staat de schakelaar uit, dan verschijnt de informatie als popup op de kaart en schuift het kaartbeeld mee om die popup te tonen. Staat hij aan, dan komt precies dezelfde inhoud hier in het paneel en blijft de kaart staan — handig als je achter elkaar vlakken intekent en aanklikt.

    —

    Klik op de kaart op een vlak, lijn, pijl, tekst, meetpunt of perceel — de gegevens komen hier te staan.

    Instantiecheck

    Uitleg instantiecheck

    Kies een punt, lijn of vlak — of het midden van het kaartbeeld — en de app vraagt tien openbare bronnen tegelijk wie er over die plek gaat. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet levert het bevoegd gezag: welke gemeente, welk waterschap, welke provincie en welk ministerie hier regels hebben vastgesteld. Daarnaast wordt gekeken of het werk op Rijkswaterstaat-areaal ligt, wie de weg beheert (met telefoonnummer), welke omgevingsdienst de melding behandelt en in welke gemeente en provincie de plek kadastraal valt.

    Boven de uitslag staat altijd hoeveel bronnen zijn geraadpleegd, en onder Bronnen per stuk wat hij vond en van wie de gegevens zijn. Dat is geen sierregel: “geen waterschap gevonden” en “de waterschapsbron deed het niet” geven allebei een lege lijst, en alleen de bronstaat laat zien welke van de twee het was.

    Het is een oriëntatie, geen vergunningcheck: de app zegt wie er over de plek gaat, niet wat je er mag. De KLIC-melding voor graafwerk zit er niet in — daar bestaat geen open dienst voor, die doe je zelf bij het Kadaster.

    Vergunningcheck

    Vertel wat u gaat doen; het DSO stelt de vervolgvragen en zegt per activiteit of er een vergunning of melding nodig is.

    Locaties — uit de tekening
    Uitleg vergunningcheck

    De app zoekt bij uw aanleiding en doel de werkzaamheden op die het DSO kent, u vinkt aan wat van toepassing is, en daarna stelt het DSO zelf de vervolgvragen — één tegelijk. Zodra er geen vragen meer open staan volgt per activiteit de conclusie: vergunning, melding, informatieplicht of vrij, met het bevoegd gezag erbij.

    Een antwoord geldt standaard voor alle locaties. Klap “Geldt niet overal hetzelfde” open om er één locatie uit te lichten — de ene boring ligt in de kernzone van een kering en de andere niet, en dan verschilt de uitkomst. Dat verschil wordt apart gemeld.

    Wat u niet aanvinkt blijft staan onder “ook overwogen”. Dat is met opzet: iets missen is hier erger dan te veel voorstellen. Breed kiezen kan wel honderden vragen opleveren — dan is uitvinken de kortste weg.

    Het blijft een oriëntatie. De vragenboom en de conclusie zijn van het DSO, op een peildatum, met antwoorden die u zelf invult. De aanvraag, het vooroverleg en de KLIC-melding blijven mensenwerk.

    Diepte 0,00 m‑mv
    0—
    Kaartlagen hier
    RD —
    WGS —
    beweeg over de kaart